In vorige Vaandeldragers schreven we over luitenant Bram Du Bois, officier bij de Irene Brigade en later, na gevangengenomen te zijn bij een speciale missie, doodgeschoten als slachtoffer van het drama bij de Woeste Hoeve op 8 maart 1945. De bekende oorlogscorrespondent Robert Kiek ontleende een kop van zijn artikel in Vrij Nederland, over de parachutisten bij de Brigade, aan een markante uitspraak van Du Bois. In zijn boek "Pijlen van den Leeuw" wijdde hij een hoofdstuk aan die parachutistenafdeling, weer onder dezelfde titel "Twaalf zijden avondjurken..."
----------
De Nederlanders in Engeland vormden een topzware gemeenschap. Er was een overmaat aan intellectuelen en een pijnlijk tekort aan "volk". Er was veel te veel talent, dat - vooral gezien het feit, dat de regering en twee of drie grote industriële maatschappijen de enige werkgevers waren - voortdurend met elkaar in botsing kwam. Het gemis aan een burgerij - de grote zeef, waardoor op onbestemde maar meestal feilloze wijze de minder bruikbare ontwerpen en plannen der intellectuelen in de lozingspijp der vergetelheid verdwijnen - deed zich wel het meest voelen. Daardoor ook ontstonden in deze kind-met-een-waterhoofd-gemeenschap de verdere euvelen.
Daar kwam nog bij, dat al deze "knappe mensen" vaak niet in staat waren het gewone routine-werk van de niet zo ambitieuze, van precies 9 tot 5 werkende, gewone ambtenaar te verrichten. Met al hun kennis bleken zij in de functie, die hen was toevertrouwd, vaak amateurs. Om zich te handhaven konden zij derhalve om zich heen alleen knappe-ondeskundigen velen, met alle gevolgen van kliekjesvorming, vriendjesbeweging en elleboogpolitiek.
Bij de Brigade was het, mutatis mutandis, niet veel anders. Er waren soldaten bij, die als burgers hun land beter hadden kunnen dienen dan als militairen, technici die b.v. in de oorlogsindustrie een vooraanstaande plaats hadden kunnen innemen, maar hier verre onder de middelmaat waren. Zodra deze mensen bijv. in Militair Gezag een administratieve functie kregen toegewezen, traden hun kwaliteiten ineens op de voorgrond. Maar velen bleven in het legerkamp een vreemde eend in de bijt, omdat zij, zoals de Britten dat zo treffend zeggen, a square peg in a round hole waren. Het resultaat-generaal was, dat de Brigade bij de Nederlanders in Engeland - grotendeels onverdiend - een naam had als modder. Men sprak en schreef over een "Wolverhamptongeest" als was dat het symbool van Nederland-op-zijn-slapst.
Evenmin is er reden om tot het andere uiterste door te slaan en de conclusie te trekken, dat het kamp louter bevolkt was door energieke engelen-in-soldaten of officierengedaante. In beide categorieën waren er bruikbare en onbruikbare krachten, goed- en kwaadwillige elementen. De goeden hadden het daarbij heel wat moeilijker: er waren er verscheidenen, die keer op keer hun best deden "iets" van het kamp en van de stemming in het kamp te maken. Maar keer op keer botsten zij tegen de tegenwerking van "Londen", tot langzaam maar zeker de apathie als een ondoordringbare mist over het kamp daalde.
Over het "inwendige" van het kamp had ik mij een zuiver oordeel kunnen vormen toen ik er in 1943 zes weken op een cursus als motorordonnans had doorgebracht. "'t Mag niet hinderen" en "'t gaat wel weer over" waren er de klassieke uitdrukkingen, typerend voor een militaire gemeenschap zonder actie. Maar zodra de jongens de kans kregen daadwerkelijk iets te doen, kwam er een gloed over hun bestaan - dan barstte de te lang gebreidelde energie van alle kanten naar buiten, dan was er op eens een stemming van eensgezindheid, saamhoorigheid en doelbewustheid.
Die geest was mij trouwens nooit beter gebleken dan toen Loe Woudhuizen (het hoofd van de foto-afdeling van de Voorlichtingsdienst) en ik er een week met de Nederlandse parachutisten op uit trokken. Wij waren toen bezield van de ware kruisvaardersgeest: Uit eigen ervaring wisten wij wat onze militairen van "Londen" dachten en wij hadden ons heilig voorgenomen het vertrouwen van de jongens te winnen door het gehele programma van synthetische en werkelijke sprongen mee te doen. Daarbij hadden we de volledige medewerking van de commandant van dit detachement, de sportieve majoor Peassens en zijn officieren Henk Moellands, Robert Fack, Bram Dubois en Erik Masthof.
We boften dat het weer de eerste dagen bar slecht was, zo zelfs, dat er nauwelijks een vliegtuig van de grond kon komen. Loe en ik waren daardoor niet alleen in de gelegenheid een behoorlijke portie synthetische training te verwerken - het is een hele kunst een sprong van zeven meter hoogte te leren maken en daarbij naar tevredenheid van een instructeur van de R.A.F. "goed door te vallen" - maar tevens hadden wij tijd om officieren en manschappen werkelijk te leren kennen. Het was een pracht ploeg; stuk voor stuk kerels om mee "uit vissen" te gaan; militairen die er hoe langer hoe meer plezier in kregen, dat twee "halve garen", die het helemaal niet hoefden te doen, gek genoeg waren om een paar parachutesprongen mee te maken.
Het wachten op beter weer verhoogde voor Loe en mij de spanning niet zuinig. Ettelijke keren per dag, wanneer er niemand anders bij was, bevalen wij elkaar aan voor een plaatsje in elkaars testament, of vroegen elkaar "of het niet eens leuk zou zijn voor een paar dagen naar Londen terug te gaan." Merkwaardig was vooral, dat we die nachten voortdurend nachtmerries hadden en 's ochtends begonnen op te biechten hoe vaak wij in onze droom door een grote gaping in de bodem van een vliegtuig waren gevallen !
Tot, op dinsdag 11 juli, de weergoden het lage wolkendek hadden weggeveegd en de windkracht aanzienlijk hadden verminderd zodat zelfs de meteorologische dienst moest erkennen, dat het "mooi springweer" was. Op een lorrie met luidruchtige Nederlandse parachutisten reden Loe en ik, ongekend stil en een tikje witjes, naar onze "slachtbank", het vliegveld Netheravon op Salisbury Plain.
11 juni - "De wagens zijn al op weg naar het landingsterrein", zegt majoor Paessens. "Jullie vliegen ongeveer vijf en twintig minuten voor je "uitgegooid" wordt." Tien ronde helmen in de romp van de ronkende Halifax knikken; vijf aan bakboord, vijf aan stuurboord, kruiselings tegenover elkaar en dicht opeen gepakt. Dan klapt de deur dicht; de belichting past zich ineens aan bij de atmosfeer in het toestel en de stemming van de zwijgzame, gomkauwende Nederlandse parachutisten. Door twee iesepierige raampjes in de romp komt wat schuchter daglicht binnen en wie bereid is zich een stijve nek te bezorgen, kan genieten van een riant uitzicht op onze brede vleugel.
We zijn de laatsten van de formatie. Boven het geluid van onze warmdraaiende motoren horen we de 2400 omwentelingen, waarmee onze Halifax-buurman naar de startplaats taxiet. Even later bonken ook wij over de grond en dan is er alleen nog maar het geronk van de motoren. We zijn op weg.
Onwillekeurig kijkt ieder op zijn horloge. Het is 11.37. Er wordt niet gesproken. De man onder het raampje, veteraan van 24 sprongen, haalt een brief uit zijn para-jasje en leest onbewogen als lag hij op zijn bed. Voor de anderen was er vanmorgen geen post. Anders zouden ze vermoedelijk ook lezen om het eerste kwartier van de vlucht zoek te brengen. Nu staren ze rustig voor zich uit. Ze weten allemaal precies wat er komen gaat; wat de nieuweling allemaal nog sensationeel schijnt, is voor hen routine geworden. En bovendien: de sprong is maar het begin en de actie komt pas als ze eenmaal op de grond zijn geland.
Als ik naar de gezichten naast en tegenover mij kijk, voel ik me als de lens van een camera, die langs een reeks close ups panorameert. Gezichten van bonken van kerels zoals sergeant Rense Huizinga uit Sneek, de nummer 1 van onze ploeg. Naast me zit een lichtgewicht, Arie van Bommel - tot een paar jaar geleden kelner in New York - z'n "kistjes" te poetsen, als was zijn enige zorg, dat hij met schone schoenen naar beneden komt.
Tussen al deze ervaren rotten voel ik me als een jongetje, dat voor het eerst naar school toe gaat en nog niet helemaal weet of-ie het leuk vindt of niet. Maar dan zie ik ineens dat een andere Fries, Wynand Hoffman - sergeant-majoor op z'n vijfentwintigste jaar ! - in de gaten heeft hoe ik me voel. Er komt een brede grijns over zijn gezicht en hij steekt zijn linkerduim bemoedigend in de lucht. En opeens voel ik me kiplekker. Terwijl ik een knipoog terugtelegrafeer ben ik weer on top of the world.
Horloge zegt 11.49. Nu we onze vlieghoogte hebben bereikt, kunnen we onze benen wat ruimer over de romp uitspreiden. Maar de atmosfeer van kalmte blijft.
Drie kwartier geleden kwam het stel luidruchtig op het vliegveld aanzetten. De ergste wildemannen onder ons omhelsden hun parachute - anderen plakten er de helft van het stukje kauwgom op, dat ze de hele morgen al aan het bewerken waren. "Brengt geluk", zei een lange Surinamer, George Rier, en dat ontketende een eindeloos debat over alle fasen van het parachutistenwezen. Een debat dat vermoedelijk voor iedere sprong wordt gehouden en waarvan het hoofdmotief de klacht is, dat ze allemaal te laat zijn geboren. Want hadden ze twintig jaar geleden kunnen springen dan was er een oogst van een slordige f. 3000,- per middag binnen te halen geweest - wel een verschil met de extra twee-shilling-per-dag van nu !
Dan deed in een gamma van varianten het verhaal de ronde van de dorpsschone, die het niet op valschermtroepen begrepen had en toen er zich in haar woonplaats enige gevallen van para-typhus voordeden, een boze protestbrief aan de burgemeester schreef om te zeggen, dat men van paratroops nu eenmaal niet anders verwachten kon...
Wat een verschil, die geladen, bijna kwajongensachtige, stemming op de grond en de kalme rust en het zelfvertrouwen, die er nu van de negen para-genoten in deze Halifax uitstralen. Maar één element was in beide stemmingen merkbaar: de goede geest van warme, on-demonstratieve kameraadschap onder de mannen.
Maar voor dieper gaande bespiegelingen is het al te laat. Elk ogenblik kan de piloot ons het 5-minuten teken geven. De marconist, die het op dit tochtje bijzonder gemakkelijk heeft, is al naar het midden van zijn "kist" gekomen en geeft ons aanwijzingen hoe we het luik, waardoor wij straks naar beneden zullen glijden, moeten openen.
Horloge 12.01. Als nummer 3 van de 10 springers moet ik meesjorren aan het luik. Bij de eerste blik op de grond, die 500 voet lager met grote snelheid voorbijtrekt, is er even een angstig gevoel van "'t is maar een verduveld klein eindje van hier naar daar," maar gauw ontdek je auto's en mensen, koeien en zelfs kippen; al die beweging daar beneden helpt je over al die rare gevoelens heen. Door de boordtelefoon zegt de piloot tegen de ploegleider, dat het over vijf minuten zover zal zijn en met dezelfde rust en kalmte, die de hele reis heeft gekenmerkt bevestigen we de statische lijn aan een haak in het vliegtuig. Want dat is de zijden draad, die dadelijk haar spreekwoordelijke functie zal moeten uitoefenen.
Deze lijn blijft namelijk in het vliegtuig vastzitten, wanneer wij de luchtzee plonzen. Door ons gewicht zullen er een paar touwtjes, die de parachute met deze lijn verbinden, breken, zodat de parachute - "er kunnen twaalf zijden avondjurken uit gesneden worden", zegt Bram Dubois, die onder welke omstandigheid ook altijd in vrouwelijk schoon geinteresseerd blijft - zich geleidelijk kan ontplooien.
Om 12.05 is het hele stel aangehaakt. Het is geijkte mop om je buurman vriendelijk op de schouder te kloppen en hem zo zachtjes als het geronk der motoren mogelijk maakt, toe te fluisteren: "Zeg, jij bent niet aangehaakt. Doe jij het zonder ?" En al heeft hij zich nog geen minuut geleden overtuigd, dat alles voor elkaar was, grijpt hij instinctief naar de statische lijn en drukt er nog gauw een klein stukje kauwgom op.
12.07. Een rood lichtje flitst af en aan. Nog één minuut...
De eerste vier zitten rondom de opening, de anderen zitten gehurkt gereed achter de nummers 3 en 4. De Engelse marconist steekt nog eens de duimen omhoog, nadat hij ons een paar minuten geleden heeft verteld, dat hij voor geen geld van de wereld met ons zou willen ruilen.
Groen licht. "Go !" schreeuwt nummer 1 en verdwijnt meteen door de opening. "Go !" hoor iok Bram Dubois nog roepen en een fractie van een seconde later ben ik er ook uit. De luchtstroom trekt mij bijna horizontaal onder het vliegtuig uit. Een ogenblik later wordt de val geremd en houden twaalf zijden avondjurken van khaki-groen hun last zwevende.
Van de olie-achtige bedompte reuk van het vliegtuig is de overgang naar deze verrukkelijke stilte iets onbeschrijfelijks. Je voelt je kinderlijk gelukkig, dat je daar zo onbezorgd zweeft, en het vergt alle concentratie om binnen de tien seconden de landingshouding aan te nemen en je te herinneren wat ze je in die week training hebben geleerd. Dan komt de aarde naar je toe en even later val je of rol je over de grond, terwijl om je heen de meeste anderen al bezig zijn hun parachute op te vouwen en boven je een gordijn van nog meer khaki omlaag zakt.
Majoor Paessens is tevreden. De groepen zijn snel, geconcentreerd en op de juiste plaats neergekomen. Was dit een werkelijke operatie geweest, dan zou er geen seconde verloren zijn gegaan. Het compliment dat hij de troep geeft, doet de stemming onder zijn jongens weer oplaaien tot het peil van voor het vertrek. Een paar kerels, waaronder ik, hebben een nogal harde landing gemaakt. "Engeland geeft niet mee", zegt er een grinnikend en hoewel er niemand met een woord over rept, denken we allen aan onze uiteindelijk bestemming: de drassige grond van ons eigen land, waar niet alleen de bevolking, maar ook de bodem de parachutisten zacht gezind zal zijn.
Ik was maar drie weken "mooi" met een lichte schouderfractuur;
Loe brak zijn dijbeen bij zijn vierde sprong, wat hem een flinke tijd buiten
gevecht stelde - maar als compensatie kreeg hij dan zijn parachutisten-insigne.
We bezitten allebei nog de brieven, die ons de troep toen stuurde. Het
was veel meer dan alleen maar een "hoe is 't er mee" - het betekende, dat
wij in die korte tijd van buitenstaanders "collega's" waren geworden. En
daarop zijn wij nog steeds trots.
(c) 1998 Museum Brigade en Garde Prinses Irene, Oirschot. Alle rechten voorbehouden. Reproduceren van getoond materiaal is niet toegestaan zonder uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van het museum. Voor informatie: Hans Sonnemans 040 266 5665/5666 of 0499 370206, sonnemans@iname.com Laatste wijziging 5 maart 1998.