Arnhem: Atjeh in de sneeuw



Onderstaande tekst is een hoofdstuk uit het boek "K.P.er in Zeist en oorlogsvrijwilliger in Nederlands-Indië / herinneringen uit de jaren 1943 – 1950 van Kees Klijn" Uitgeven door Klijn & Pot in Arnhem in 1997. Het boek is gebaseerd op een oorspronkelijk manuscript, vier folioschriften, geschreven in een fijn regelmatig handschift. Eén met de herinneringen over de K.P.-tijd in Zeist ("een enigszins openbaar complot") en drie over zijn tijd als oorlogsvrijwilliger en pelotonscommandant bij 4-GRPI in Nederlands-Indië met de titel "Aardig gebruind ja!".
 
 

Kees Klijn is student in de oorlogsjaren en komt vanaf 1943 in het verzet, de K.P. terecht. De bevrijding wordt voor hem een afknapper als hij ziet dat iedereen die niets heeft voorgesteld ineens met de neus vooraan staat. Hij besluit te tekenen als oorlogsvrijwilliger. Zijn oorspronkelijke, uit onvrede geboren beweegredenen slaan om in enthousiasme als hij de officiersopleiding in Sandhurst (Engeland) gaat volgen. In oktober 1946 keerde hij terug naar Nederland, sterren op de kraag van de battle-dress en een militair rijbewijs op zak.
 
 

Begin november 1946 kwam de 2de dienstplichtige divisie op, en in Arnhem verschenen de rekruten die deel zouden gaan uitmaken van het 4de bataljon Prinses Irene. Ik had me enkele dagen voor de opkomst gemeld en mij werd gezegd dat ik voorlopig ingedeeld werd bij de stafcompagnie, die gelegerd was in de stokoude Menno van Coehoornkazerne, waarschijnlijk een uitstekend staaltje van utiliteitsbouw in de 19de eeuw, maar zelfs voor 1946 redelijk antiek, ik denk hier onder meer aan het sanitair, voor zover aanwezig. Ergens ontdekte ik een compagniescommandant, een aardige, maar uiterst gemakzuchtige man, die mij vertelde dat hij niet van plan was naar Indië te gaan, dat hij de administratieve kant voor zijn rekening nam en mij, als tweede en jongste officier, belastte met de zes weken durende basistraining van de rekruten. Hierbij zouden voorlopig één sergeant en twee korporaals mij behulpzaam zijn - later zou meer assistentie volgen. Dit betekende dat de ongeveer 120 man als één blok voor praktisch alle instructieonderdelen moesten aantreden.
 
 

Een stafcompagnie is een onderdeel waarin de koks, chauffeurs en monteurs, scherpschutters, hospitaalsoldaten, het personeel van de verpleging, administratie, verbinding en de inlichtingen dienst ondergebracht worden om 'te velde' her en der over het bataljon verspreid te worden. Na de basisopleiding, waarin elementaire militaire vaardigheden aangeleerd werden en een poging werd gedaan de lichamelijk conditie op te krikken, verdween men grotendeels naar opleidingen elders voor de verschillende vakbekwaamheden.
 
 

Op zichzelf is een stafcompagnie een zootje ongeregeld en dat was hier ook het geval; aardige jongens, daar niet van, maar rommelig volk en altijd veel drukte, althans op 1946 niveau. Later in Indië had ik het voordeel dat ik overal in het bataljon mensen tegenkwam die ik kende, en die mij kenden, en dat was vaak nuttig. Met enig voorbehoud kan ik zeggen dat iedereen wel wat heeft geleerd.
 
 

Toen er een periode van strenge kou aanbrak werd het voor de rekruten echt een rottijd, omdat er onvoldoende brandstof was en vervolgens niet alleen de plees bevroren raakten, maar ook de kolen overal vandaan gejat werden en het houtwerk uit de kazerne gesloopt werd om de kachel op de slaapzaal brandend te houden. Het liep zo uit de hand, dat de nog in de kazerne aanwezigen veertien dagen naar huis gestuurd werden. Wat een leger.
 

Na de beëindiging van de basisopleiding van de stafcompagnie kwam ik terecht bij het peloton dat voor het grootste deel van de diensttijd met mij opgescheept zou zitten, en - omgekeerd - ik met hen. Dat was gelukkig in een meer moderne kazerne, de Saksen Weimarkazerne, ook in Arnhem.
 
 

Het was februari 1947 en een aantal onderofficieren van de KNIL zou ons de typisch Indische tactiek bijbrengen. Ik had wat instructieboekjes doorgelezen en was niet kapot van wat erin stond, gaf de KNIL-sergeant het peloton over in het bos en zag vervolgens een stukje Atjeh-in-de-sneeuw tot stand komen. Het leek me het beste mijn mond te houden en de volgende dag gewoon verder te gaan.
 
 

Het was een tijd - ook in het leger - waarin er nog gerotzooid kon worden. Met een collega pelotonscommandant en de twee sergeants konden wij bijvoorbeeld bij schietoefeningen met scherp een fors aantal patronen achteroverdrukken en vervolgens de twee pelotons laten ervaren hoe het klinkt als kogels over je heen fluiten - de bossen om Arnhem waren tamelijk onveilig af en toe; de puinhoop die de
binnenstad nog grotendeels was, was een uitstekend decor voor het oefenen in straatgevechten en huis-doorzoeken; de baileybrug over de Rijn werd stormenderhand genomen, waarbij wij het verkeer gewoon enige tijd stillegden. Kortom, tot op grote hoogte kon je doen en laten wat je wou. Burgers zeurden toen niet zo gauw; zij waren in september 1944 het echte gewend geweest.
 

Met dat al was mijn peloton niet onredelijk geoefend voor wat betreft gevechtsoptreden, bekeken vanuit het standpunt van het tactisch optreden van kleine eenheden, zoals dat zich in het Britse kamp in de loop van WO II ontwikkeld had. De schietvaardigheid van vooral de geweerschutters was zeer matig. Achteraf bleek de schiervaardigheid van de brenschutters helemaal niet relevant, omdat het in Indië de fysiek sterksten waren die brenschutter werden: zij bleken de - ik geloof twaalf kg zware bren urenlang te kunnen blijven meeslepen in de hitte. De driemans mortierploeg was - nadat zij voldoende vaardigheid in Indië had opgedaan - uiterst bekwaam.
 
 

Het uithoudingsvermogen van diegenen die de tropische slijtageslag met succes het hoofd konden bieden, was niet kapot te krijgen en hun lichamelijke conditie was optimaal en bleef ook zo, omdat te weinig werd betaald om alcoholisten te kweken en van drugs hadden we nooit gehoord. Na de nodige ervaring opgedaan te hebben, werd het peloton een efficiënte gevechtseenheid: iedereen wist precies wat hij mee moest nemen op patrouille of voor een actie, wat zijn plaats was, wat er van hem verwacht werd, en in gevechtssituaties was een half woord of een gebaar genoeg. je wist watje aan elkaar had en dat was het grootste voordeel van het lang met elkaar optrekken en/of met elkaar opgescheept zitten.
 
 
 

Atjeh ligt op Noord-Sumatra. In de vorige eeuw was het een min of meer zelfstandig sultanaat in de Engelse invloedssfeer. De inwoners waren enthousiaste zeerovers: de straat van Malakka was erg onveilig. In ruil voor de rechten die Nederland aan de Goudkust had, gaf Engeland aan de Nederland "de vrije hand" in Atjeh. Een van de resultaten van deze ruilhandel was al gauw de Atjeh-oorlog die van 1873 tot 1903 duurde. Het KNIL speelde in deze oorlog een belangrijke rol. Atjeh behoorde vanaf het begin van deze eeuw tot Nederlands-Indië, later tot Indonesië. 

 

(c) 1998 Museum Brigade en Garde Prinses Irene, Oirschot. Alle rechten voorbehouden. Reproduceren van getoond materiaal is niet toegestaan zonder uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van het museum. Voor informatie: Hans Sonnemans 040 266 5665/5666 of 0499 370206, sonnemans@iname.com Laatste wijziging 5 maart 1998.