Oost-Java, aankomst 12 september 1947

Onderstaande tekst is een hoofdstuk uit het boek "K.P.er in Zeist en oorlogsvrijwilliger in Nederlands-Indië / herinneringen uit de jaren 1943 – 1950 van Kees Klijn" Uitgeven door Klijn & Pot in Arnhem in 1997. Het boek is gebaseerd op een oorspronkelijk manuscript, vier folioschriften, geschreven in een fijn regelmatig handschift. Eén met de herinneringen over de K.P.-tijd in Zeist ("een enigszins openbaar complot") en drie over zijn tijd als oorlogsvrijwilliger en pelotonscommandant bij 4-GRPI in Nederlands-Indië met de titel "Aardig gebruind ja!".

Kees Klijn is student in de oorlogsjaren en komt vanaf 1943 in het verzet, de K.P. terecht. De bevrijding wordt voor hem een afknapper als hij ziet dat iedereen die niets heeft voorgesteld ineens met de neus vooraan staat. Hij besluit te tekenen als oorlogsvrijwilliger. Zijn oorspronkelijke, uit onvrede geboren beweegredenen slaan om in enthousiasme als hij de officiersopleiding in Sandhurst (Engeland) gaat volgen. In oktober 1946 keerde hij terug naar Nederland, sterren op de kraag van de battle-dress en een militair rijbewijs op zak. Na een korte opleiding in de Saksen Weimarkazerne in Arnhem onder weinig realistische omstandigheden ( zie "Atjeh in de sneeuw" in de vorige Vaandeldrager ) vetrekt hij met het 4 bataljon Prinses Irene naar Indië, aan boord van het m.s. Tabinta.

Als pelotonscommandant van het 3de peloton van de 1ste Compagnie van 4-Irene maakt hij de Eerste Politionele Actie mee.
 


Op 12 september 1947 verhuisde het bataljon naar Soerabaja. In nog geen twee maanden waren onze verliezen vijf doden en zes gewonden. Wij behoorden nog niet tot de oude hap, maar zo erg groen waren wij ook niet meer. Het was nog eens een andere leerschool dan Mulo en diploma boekhouden-enkel.

Op Oost-java begon een tijd die zo'n vijftien maanden duurde en voor mij was dat een tijd van het grote vervelen. Natuurlijk was er het feit dat je militair was en deel uitmaakte van een organisatie die onder de beste omstandigheden garant staat voor plotselinge veranderingen, onverwachte verhuizingen en waanzinnige bevelen. Maar wat er ook gebeurde of moest plaatsvinden, het trof mij allemaal als vrij nutteloos, als overbodige uitsloverij en koude drukte.

Wat wij al op Midden-java ondervonden hadden, namelijk datje maar het beste met het peloton ergens alleen kon zitten, dat gold in nog sterkere mate voor deze periode. Opdrachten kreeg je waar je ook zat, maar pottenkijkers van de compagnies- of bataljonsstaf compliceerden meestal de zaak onnodig. Binnen het peloton was er een gemoedelijke sfeer en zo gauw kapiteins, majoors of een enkele overste ook ter plekke rondliepen, moesten al snel dingen 'disciplinair worden rechtgetrokken', 'niet meer worden getolereerd' of 'drastisch worden gewijzigd'. En wat er ook moest gebeuren, op zijn minst werd die sfeer grondig verpest.

 Terug naar de laagvlakte van Oost-java, waar oververmoeidheidsverschijnselen in het hele bataljon voorkwamen en de brigadecommandant ons al een rustiger gebied had toegezegd toen zich de Tweede Politionele Actie aandiende en wij in een nog hogere versnelling doorgingen.

N.B. Ik las voor dit deel van het feitelijk verslag: de eerste nacht van de opmars, de rapportages door van de brigadestaf, de commandant van de stootcompagnie van de Grenadiers, onze bataljonscommandant en de eigen compagniescommandant. Het waren vier verschillende verhalen. Het verslag dat hierna volgt, is mijn verhaal.

Het voorbereidende stafwerk van onze brigade voor de Tweede Actie was prima. je merkte aan alles: onze aflossing, transport naar de uitgangsstelling, opstelling - dat er perfect getimed en gepland was, zodat nergens opstoppingen of chaotische toestanden voorkwamen.

Om 12190000 (= december, de 19de om middernacht) begon het voor ons even buiten Malang: doorstoten in zuidelijke richting, in eerste instantie langs de weg, naar een plaatsje dat Kepandjen heette.

Voor wij op stap gingen had de commandant van de 2de compagnie met een aantal mensen een TNI wachtpost onschadelijk gemaakt en de telefoonlijnen naar het republikeinse achterland doorgesneden. Mijn peloton was stootpeloton en zo kwam het dat ik als eerste van die lange colonne aan de linkerkant van de weg de Status Quo-lijn overging, aan de rechterkant op gelijke hoogte een brenploeg en achter mij een jongen van de verbinding met een radioset, daar weer achter de rest van het peloton enz. Twee andere colonnes gingen rechts en links van ons ook naar het plaatsje en te oordelen naar het schieten hadden zij met tegenstand te maken.

Wat wij de dag daarvoor aan materiaal in Malang hadden gezien, had ons behoorlijk gerustgesteld: voor de afwisseling gingen wij eens niet alleen op stap. Een geweldige kick gaf dat gevoel de eerste te zijn van zo'n - voor Nederlandse maatstaven - gigantisch geheel, waarbij in totaal ongeveer 500 voertuigen betrokken waren.

Het was een maanloze nacht, het regende en wij kwamen geen hond tegen. Net voor een druilerig aanbreken van de dag rukten wij Kepandjen binnen. Geen TNI, plaatsje troosteloos en vervuild en wat er nog aan burgers rondscharrelde ondervoed en nauwelijks gekleed.

Die dag een beetje rondhangen, slapen of kijken naar wat er aan materiaal binnen denderde, en de volgende morgen - ongewassen voor de derde dag en zo langzamerhand toch wel behoorlijk vermoeid, want slapen op beton of cement is nooit zo rustgevend - om vijf uur instappen bij een colonne van de Huzaren van Boreel om als stootgroep door de bergen tot Blitar te komen. Meerijden leek ons iets gemakkelijker. Dat viel mee en tegen. Als de colonne halt hield moest de infanterie het terrein in aan weerszijden van de weg om eventuele verrassingen op te vangen. Een paarjongens ontdekten bij die zijdelingse uitstapjes in wat huisjes een gigantische hoeveelheid munitie, die - toen de colonne even verder was opgeblazen werd.

Bij de overnachting leverde de infanterie de wachtposten, bij twee bruggen werden infanterieposten ter bescherming achtergelaten en in Blitar werd de infanterie, verspreid over de stad, de eerste nacht door de TNI aangevallen, enthousiast en langdurig en niet gespeend van enig vakmanschap. Het ene matige genoegen stapelde zich op het andere. Tot overmaat van ramp bleken wij - het 3de peloton - ook nog onder de luizen te zitten en daarmee wordt de ellende in de vrij geordende chaos van een opmars compleet.

Waarschijnlijk denken buitenstaanders dat een opmars een fantastische, opwindende gebeurtenis is, waarbij zij beelden voor ogen, hebben van rennende, zwetende en schietende soldaten, grimmige commandanten in een stoere houding in jeeps gezeten, verbindingsmensen druk pratend in een soort geheimtaal in hun microfoons, overgierende granaten, duikende jachtvliegtuigen, kortom Rambo op zijn wildst.

Vergeet dat maar. Het grootste deel van de tijd sjok je achter de man die voor je loopt. En naarmate je vermoeider, natter, modderiger, bezweter, dorstiger, hongeriger of ongeïnteresseerder raakt, kan iedereen en alles voor wat jou betreft steeds sneller doodvallen. Af en toe hoor je dat er vóór wat aan de hand is, maar wat dat nou precies is, dat weetje niet. Niemand zegt je wat.

Als je in een colonne rijdt is het van hetzelfde laken en pak: telkens staat die stil, maar waarom? Onbekend. Het zijn alleen de mensen vooraan die precies weten wat en waarom en zij maken de actie en bepalen wat er gebeurt.

Wat mij vooral bij de Tweede Actie verbaasde - en dat was toch niet een blijk van wantrouwen in het organisatievermogen van de bataljonsstaf - was, dat ergens helemaal achterin die colonne van 500 voertuigen mijn privéspullen en een deel van mijn uitrusting in een vrachtwagen temidden van de eigendommen van duizenden andere militairen zich bevonden, en dat die rommel later toch maar keurig bij mij terechtkwam, want eigenlijk had ik er bij ons vertrek vóór de Actie heimelijk afscheid van genomen.

 Een Kerstdieet

Een suikerfabriek ergens op de laagvlakte van Oost-java

Op 25 december werden de kerstpakketten van de Niwi uitgereikt

een aardigheidje van het thuisfront.

De gelovigen in het peloton hadden zich militair-keurig uitgedost

voor de dag en de dienst en misschien ook wel voor het pakket.

De niet-gelovigen geloofden het wel voor wat betreft de kleding

want zon en temperatuur waren door-de-weeks.
 
 

In mijn pakket trof ik onder meer een tandenborstel en een tube tandpasta aan.

Daar dacht ik het mijne van

maar besefte dat dit gegeven paard enz.

Toch bleef het reinigend cadeau doorzeuren in mijn kerstkop

en een domper zetten op de al minimale kerstvreugde.
 
 

Er werden die dag geen patrouilles uitgestuurd

zodat er tijd in overvloed was om het geschenk te testen.

De maaltijd was feestelijk bedoeld, maar stelde ook al weinig voor.

Bij elkaar een uiterst schrale kerst.