| De
actie bij Hedel 22-25 april 1945
(1) (1990) |
TERUG |
door H. Sonnemans
In de periode 10 - 14 april 1945 vertrekt de Koninklijke Nederlandse Brigade "Prinses Irene" uit Zeeland. In die provincie heeft de Irene Brigade bewakingstaken uitgevoerd, gedurende de winter '44 - '45. Een periode van betrekkelijke rust, na de landing in Normandië in augustus en de acties in België, Grave en Tilburg in de maanden erna.
De omgeving ten noorden van Den Bosch, aan de Maas, zal het nieuwe operatiegebied gaan worden. De Nederlanders komen onder het bevel van de commandant 116e Brigade, de brigadier C.F. Philips. Het vak aan de spoorlijn Den Bosch - Hedel, tot aan Heusden, wordt door de Brigade overgenomen van de Canadezen en moet worden beveiligd tegen eventuele acties van de Duitsers, aan de andere kant van de Maas.
De Brigade is inmiddels helemaal vernieuwd. De Mariniers, die vanaf juni 1944 ter versterking bij de Brigade waren ingedeeld, zijn op 1 april vertrokken. Ze gaan via Engeland, terug naar de Verenigde Staten, om zich weer aan te sluiten bij de Mariniersbrigade, die in afwachting is van de inzet bij de bevrijding van Nederlands Oost-Indië. Vanuit Bergen op Zoom arriveert "de eigen teelt". Het zijn jongens afkomstig uit het bevrijde gebied, die zich als vrijwilliger bij de Irene Brigade hebben gemeld. Ze hebben een opleiding van acht weken ontvangen bij de Compagnie Aanvullingstroepen van majoor ("Oom Paul") Looringh van Beeck. Deze, uit Zuid-Afrika afkomstige, officier heeft zijn uiterste best gedaan om de rekruten, op de Cort Heijligerskazerne in Bergen op Zoom, klaar te stomen voor het harde leven van frontsoldaat.
Deze nieuwe militairen èn de veteranen van de op 1 april opgeheven Verkenningsafdeling , komen voornamelijk terecht bij de 1ste en 2de Gevechtsgroep, die daardoor met een vierde peloton kunnen worden uitgebreid.
Al snel na aankomst bij de nieuwe stellingen gaat het gerucht dat er "iets", mogelijk een oversteek over de Maas, op komst is. Luitenant de Roos, opvolger-commandant van Gevechtsgroep I, krijgt toestemming om een verkenningspatrouille over de Maas uit te voeren. Echt een klus voor deze avontuurlijk aangelegde, boomlange Zwollenaar, voormalig mijn-ingenieur, die vanuit Canada als vrijwilliger bij de Irene Brigade is terecht gekomen.
Dinsdag 18 april/Woensdag 19 april
In de nacht van 18 op 19 april gaat hij, samen met sergeant-majoor de Bruin en sergeant Balster, op weg. De onder-officieren zijn afkomstig van de Noothoven van Goor-compagnie, een parachutistenafdeling, vernoemd naar de in Engeland overleden Inspecteur Nederlandse Troepen. Kort voor het vertrek naar Frankrijk is dit onderdeel ontbonden en zijn de getrainde parachutisten ingedeeld bij Gevechtsgroep I.
Al vóór het verlaten van het vertrekpunt, een kanaal bij het Fort Crêvecoeur, een oud, recht tegenover Hedel gelegen verdedigingswerk, zinkt de bij de Engelsen geleende stormboot. Geen nood, bij de sluis ligt een oude roeiboot. Er moet echter tegen een onverwacht sterke stroming worden opgeroeid. De overtocht duurt dan ook ruim anderhalf uur. Ruim twee uur duurt de patrouille door het door de vijand bezette gebied, tussen de plaatsen Hedel en Ammerzoden. De terugtocht is uiteraard veel gemakkelijker, die duurt nu maar een half uurtje. Tegen de klok van zes uur in de morgen, zijn de mannen weer terug van hun gevaarlijke tocht.
Rond dezelfde tijd meldt zich een andere bron van informatie. Gefreiter Walter dient bij een aan de wal gestationeerd Kriegsmarine-onderdeel. De man ziet zijn overplaatsing als een degradatie. Verbitterd, en in een dronken bui, vervloekt hij de Führer en zijn regime. Als hij te horen krijgt dat hij op rapport zal moeten komen bij de Gruppenführer ziet hij nog maar één uitweg: de Maas over ! Bij Bokhoven bereikt hij de wal en wordt gevangen genomen. Hij blijkt een bron van interessante inlichtingen.
Donderdag 19 april
Majoor A.A. Paessens, commandant van Gevechtsgroep I, vertrekt die middag nar Vlijmen, waar het hoofdkwartier van de Brigade is gevestigd. Hier ontvouwt Brigade-commandant kolonel A.C. de Ruyter van Steveninck de plannen, zoals hij die heeft ontvangen van de 116e Brigade.
Vanuit de huidige opstellingen zal de Maas worden overgestoken. Dit zal moeten gebeuren bij het plaatsje Hedel. Het 30ste Bataljon Royal Marines zal de Maas oversteken op de rechterflank en dan doorstoten naar Kerkdriel. Dan zal contact worden gemaakt met de Irene Brigade en moet het bruggehoofd worden vergroot. Het 28ste Bataljon Royal Marines zal dan door dit bruggehoofd oprukken naar Zaltbommel en de Bommelerwaard bezetten.
Aan Gevechtsgroep I "de eer" om de operatie, voor wat het Brigade-aandeel betreft, uit te voeren. Majoor Paessens heeft meteen zijn bedenkingen tegen het plan, zó kort voor het naderende einde van de vijandelijkheden. Het is echter niet aan hem te beslissen. Hij zal zich alleen kunnen richten op de uitvoering van de nieuwe orders. Tegen de oorspronkelijke opzet protesteert hij: Hedel zou eerst gezuiverd moeten worden door een hevig artillerie-bombardement. Pas daarna zou een landing moeten plaatsvinden. Paessens is van mening dat in een oorlogssituatie de bezittingen van burgers zoveel mogelijk moeten worden ontzien. Vooral ook, omdat het nu gaat om de bezittingen van Nederlandse burgers. Hij stelt voor om niet onnodig vernielingen aan te richten en Hedel meteen te nemen. Kolonel de Ruyter van Steveninck gaat accoord met de plannen van de majoor. "Ik heb vertrouwen in je want je hebt bijna altijd succes gehad !"
Onmiddellijk na zijn terugkeer uit Vlijmen, begint de majoor met de uitwerking van zijn plannen. In een bespreking met zijn officieren wordt besloten om nòg twee patrouilles over de Maas te zenden.
Vrijdag 20 april
Laat in de avond verzamelen vier onderofficieren en vijftien manschappen zich bij het kanaal van het Fort. Opnieuw zal de tocht onder leiding staan van luitenant de Roos. Paessens heeft aanvankelijk dat zijn kersverse "tweede man" (de Roos bekleedt de functie van opvolger-commandant van de Gevechtsgroep sinds een maand, eigenlijk is het een kapiteinsbaan maar de bevordering zit nog in de papiermolen) nòg eens zijn nek gaat uitsteken. Uiteindelijk stemt hij toch toe. Met twee stormboten, een kleine en een grote, wéér geleend bij 28 Royal Marines, gaat de groep op weg.
Het oversteken van de winderige Maas duurt nu slechts een half uurtje. Het is een heldere nacht met veel maanlicht. Eigenlijk dus niet zo geschikt voor dit patrouille-werk. Om precies 02.00 uur gaan de mannen bij kilometerpaal 26, in een bocht van de rivier ten zuid-westen van Hedel, aan land. Vijf mannen, onder andere bewapend met twee Bren Guns (lichte mitrailleur) blijven achter om het landingspunt en de twee boten te bewaken. De anderen, bewapend met stenguns en handgranaten, volgen de landweg in noordelijke richting, tot de driesprong in Hedel. Mijnenvelden moeten worden opgespoord. Eventuele andere aanwijzingen van vijandelijke activiteiten zullen in kaart worden gebracht.
Hedel wordt bereikt. Het dorp is zwaar beschadigd door de artillerie-bombardementen in de afgelopen maanden. De bevolking is dan ook geëvacueerd. Het is dus een echt spookdorp. Afgezien van een aantal tijdelijke bewoners...
Ruim drie uur later keert de patrouille langs dezelfde weg terug. Geen incidenten, wèl werd waardevolle informatie verzameld voor de geplande actie.
Zaterdag 22 april
s' Avonds om kwart over elf vertrekt de volgende patrouille. Wéér twee boten met in totaal zestien man. Deze keer is luitenant Masthoff commandant van de groep. Masthoff is een parachutistenofficier, die inmiddels wel zijn sporen verdiend heeft in de periode dat de Irene Brigade van Europa actief is.
Opnieuw blijven vijf man bij de landingsplaats achter. Een groep van vijf, onder leiding van sergeant Balster, gaat verkennen in de richting van Hedel. Masthoff gaat met de overige zes in de richting van Ammerzoden. Het is de bedoeling dat die laatste groep zich weer in tweeën zal splitsen. Zover zal het echter niet komen.
Als de mannen van de groep Masthoff zich gebukt door een droge sloot voortbewegen, trapt één van hen op een voetmijn en verliest zijn been. Wachtmeester Görres is de ongelukkige. Sergeant-majoor de Bruin, die vóór hem loopt. krijgt enkele scherven in de rug. Dat belet hem niet om de zwaargewonde man op zijn rug te tillen en terug te brengen naar de landingsplaats. De gereduceerde patrouille vervolgt zijn weg. Gewaarschuwd zijn ze nu wel...
Zondag 22 april
De mannen keren om half zes in de morgen terug. Met de door de verkenners verzamelde informatie werkt majoor Paessens zijn aanvalsplan uit dat vandaag moet worden uitgevoerd.
's Avonds verzamelen de mannen van Gevechtsgroep I zich bij de sluis van het Fort Crêvecoeur. Rond middernacht vertrekken drie Buffalo's (amfibielandingsvoertuigen met geruisloze motor), bemand door Britse Engineers. Ze worden niet opgemerkt door de vijand, hoewel het toch een heldere maannacht is.
Een kwartiertje later worden de commandogroep en het eerste en tweede peloton bij paal 26 aan land gezet. Om niets aan het toeval over te laten zijn de verkenners van de afgelopen nachten hen voor geweest en hebben de te volgen route en de mijnenvelden afgezet met paaltjes.
De Buffalo's keren meteen terug om het derde en het vierde peloton op te halen. Door technische problemen arriveren die echter een uur later. Aan boord is dan ook een "illegale" passagier, namelijk aalmoezenier L. Laureijssen, die hiervoor geen toestemming heeft kunnen krijgen van de kolonel. "Nee patertje, we hebben maar één aalmoezenier", heeft hij te horen gekregen. Zeer tegen de zin van Laureijssen want die vindt dat hij bij "de jongens" hoort te zijn. Daarom dit onofficiële vertrek naar Hedel.
Een twaalftal Britse militairen van de Royal Engineers, ingedeeld bij het tweede en vierde peloton, beginnen de omgeving van het landingspunt op versperringen te controleren. Die blijken niet of nauwelijks aanwezig. Ze zijn in ieder geval niet geboobytrapped (voorzien van onopvallend aangebrachte springladingen). De door hen meegevoerde mijndetectors blijken wel nuttig.
De peletons gaan op weg door de nacht, richting Hedel. Alleen het eerste peloton blijft achter om de landingsplaats te bewaken. Het peloton staat onder commando van sergeant-majoor de Bruin. Luitenant Herbrink, de pelotonscommandant, bevindt zich in Engeland met verlof.
Al snel en zonder problemen wordt het dorp bereikt. Het oogt verlaten en spookachtig in het heldere maanlicht. Ladders en stoelen staan tegen de voorgevels van de huizen. Hiermee geven de Duitsers de plaatsen aan waar mijnen en boobytraps zijn aangebracht. Voorzichtigheid blijft dus geboden maar gelukkig ontploft er niets.
Enkele mannen van het tweede peloton vallen over struikeldraden, die een belsignaal bij de vernielde spoorbrug in werking brengen. Jammer, een aantal Duitsers bij de post daar weten nu te ontsnappen. Enkele anderen, aan de zuidrand van het dorp, hebben minder geluk en worden krijgsgevangen gemaakt. Ze zijn totaal verrast.
Duidelijk is in de stille nacht Brits en Duits mitrailleurvuur te horen; de Britse aanval bij Driel is ook begonnen !
Snel nemen de mannen hun verdedigingsposities in. Het vierde peloton in de omgeving van het viaduct, oostelijk onder de weg Den Bosch - Zaltbommel. Het derde peloton in het noorden, boven de Woerd. Het tweede peloton aan de westrand van het dorp, in en om de ruïne van de St. Janschool.
Majoor Paessens besluit zijn commandopost in te richten in een kapotgeschoten pand dat eens de trotse winkel en woonhuis van slager van den Bogert is geweest. Deze post, aan het Kleinveld, is goed centraal gelegen.
Opperwachtmeester Brens, compagnies sergeant-majoor van de Gevechtsgroep, organiseert de verdediging. De majoor en zijn luitenants de Roos en Bakkers (adjudant en verzorgingsdienst) hebben het "Battle-HQ" snel operationeel.
De radioverbindingen geven in het begin wat problemen. Korporaal F. van Pelt van de Signals (verbindingsafdeling), weet samen met vier anderen, een radio met batterijen, een zog. 22-set, vanaf het landingspunt naar het Kleinveld te dragen. Een zwaar en gevaarlijk karwei. Het radiostation wordt onmiddellijk geïnstalleerd en hoewel de korporaal nog nooit met een dergelijk toestel heeft gewerkt, gaat hij meteen achter de knoppen zitten. Al snel wordt contact gemaakt met het Brigade-hoofdkwartier "aan de overkant".
De radioverbinding met de landingsplaats laat wat langer op zich wachten. De radio, een 68-set, blijkt niet te werken. De operateur, soldaat Slap, weet het probleem tegen het aanbreken van de dag te verhelpen.
Maandag 23 april
Langzaam wordt het licht...
Het peloton van de Bruin, bij de landingsplaats, krijgt het eerst de vijand te zien. Rond half acht worden ze opgeschrikt door geweervuur, vanuit de richting Ammerzoden. Het blijkt
te gaan om een groepje van een man of zes, die ongeveer op een kilometer afstand blijven. Ze graven zich in op de dijk.
Een patrouille van drie man van het vierde peloton komt in het voorterrein een Duitser tegen. De man maakt dat hij weg komt. De stenguns weigeren: een veel voorkomend probleem en geluk voor de bewuste militair...
Luitenant Masthoff, met zijn tweede peloton gegroepeerd in en om de uitgebrande puinhoop van de St. Janschool, tuurt met zijn verrekijker in de richting van Ammerzoden. Hij ziet plotseling mannen te voet en op de fiets. Ze zijn ongewapend en in blauw gekleed. Het is dan acht uur in de morgen. De luitenant besluit geen risico te nemen en laat de bij zijn peloton ingedeelde zware Vickers-mitrailleurs enkele waarschuwingssalvo's afgeven. De blauwe figuurtjes verdwijnen.
Waarschijnlijk zijn het inwoners van Hedel geweest. Boeren, gekleed in blauwe overal, op weg van hun evacuatie-adres, naar hun oude, vernielde woning. Gewoon, om te kijken of er nog iets van waarde te vinden is. Soms zelfs alleen maar om te kijken of het huis er nog staat...
Zo ook de dertigjarige Hedelnaar van Hemert. Hij komt het dorp binnen, samen met een kennis. Doel van hun tocht: een kist kleren in zijn huis aan de Prins Bernhardstraat. Tot hun verbazing zien ze soldaten. Het is hen meteen duidelijk dat het geen Duitsers zijn. "Ze spreken Nederlands !" De beide mannen worden naar majoor Paessens gebracht. Deze geeft hen te verstaan dat ze onmiddellijk moeten vertrekken. "De Duitsers kunnen ieder moment een aanval lanceren !"
Ondertussen hebben de twaalf Britse Engineers een nieuw landingspunt vrijgemaakt van mijnen en versperringen. De plek ligt zuidelijk van Hedel, langs het haventje. Het is de plaats waar vroeger de veerpont aanlegde en daardoor dus bijzonder geschikt voor de Buffalo's. De ligging is recht tegenover Fort Crêvecoeur. De af te leggen afstand over de Maas wordt nu belangrijk verkort. Dus minder risico voor vijandelijk vuur.
De Mortiergroep van Gevechtsgroep I komt om tien uur bij dit "Oude Veer" aan land. G. van Dam, soldaat bij de Brigade vanaf januari, vertelt later:
"De bemanning van de Buffalo stuurt het voertuig behendig de kant op waar de landingsklep met een ratelend geluid op de stenen sloeg. Snel springt onze mortiergroep aan wal, kijkt even nieuwsgierig om zich heen en begint snel met het uitladen van de mortier- en verdere uitrusting en munitie. Wij bevinden ons op een kale steenweg die over een lengte van een paar honderd meter van de rivier naar de dijk loopt, is kaarsrecht en biedt geen enkele dekking. Op de dijk zie ik een paar man van de Brigade lopen, maar voor de rest is alles rustig, althans voor een bruggehoofd op vijandelijk gebied. Op bevel van sergeant-majoor Trienekens neemt ieder zijn spullen op. Behalve mijn geweer en mijn rugzak draag ik ook een mortierloop en twee houders met mortiergranaten.
Ondanks de vroege tijd van het jaar, is het al vrij warm en het zweet gutst al snel langs mijn voorhoofd. Vóór ons, in de richting van het centrum van het dorp, klinkt nu geweervuur. In snelle pas lopen wij de weg af om in de veilige beschutting van de huizen op de dijk te komen. Daar aangekomen, loopt Trienekens de achtertuin in van het huis dat op de hoek van de dijk en de hoofdstraat staat en geeft opdracht om de drie mortieren van de groep op onderlinge afstand van een paar meter in te graven. Hij wijst een paar man aan om de putten te graven en de granaten er rondomheen op te stapelen. De overigen, waaronder ik, moeten op de landingsplaats granaten en andere uitrustingsstukken ophalen die in snel tempo door Buffalo's worden aangevoerd. Gedurende de tijd dat wij hiermee bezig zijn werd er slechts één keer op ons geschoten, vermoedelijk ergens vanuit een huis op de dijk."
De ondersteuningsgroep van kapitein Post, waartoe de mortieren behoren, is ruim voor het middaguur paraat. Juist op tijd...
Rond elf uur krijgt luitenant Roos opdracht twee patrouilles uit te zenden naar Velddriel en Kerkdriel. Ze zullen contact moeten maken met de Britten van 30 R.M. Een aantal mannen van het vierde peloton gaat vanaf het viaduct op weg. Beide patrouilles lopen echter al heel snel vast. Hevig vuur van Spandaus (Duitse mitrailleurs) uit de huizen aan de dijk, ten oosten van het station, belet hen verder te gaan. De vijand heeft zich daar stevig genesteld. Het contact zal voorlopig niet tot stand kunnen komen waardoor de dreiging zich begint af te tekenen. Heeft de operatie als geheel nog een kans van slagen ?
Op hetzelfde moment controleert majoor Paessens de opstelling van het derde peloton in de Woerd. De huizengroepen, boomgaard en hoog onkruid, belemmeren het zicht. Met de pelotonscommandant, sergeant-majoor Huizinga, bespreekt hij een nieuwe opstelling. De majoor is nog maar net vertrokken als de hel losbreekt.
Totaal onverwacht opent een vijandelijke afdeling de aanval. Hoewel verrast, verdedigen de Irenemannen zich uit alle macht.
Waarnemers van de artillerie, onder leiding van kapitein Gouman en luitenant Wijnekes, geven hun aanwijzingen door aan de Batterij, die opgesteld staat bij Vlijmen, aan de andere kant van de Maas. Het goed gericht vuur bemoeilijkt de vijandelijke aanval. Ook de mortieren doen mee, hoewel ze nog maar net zijn geïnstalleerd.
Ruim een uur duurt het verbitterde gevecht. Brenschutter
Grootendorst ... lees
verder
| ©
2006-2010 Stichting Brigade en Garde Prinses Irene,
Oirschot. Alle rechten voorbehouden. Overname alleen
na uitdrukkelijke schriftelijke toestemming. Contact
via: postbus@fuseliers.nl |
TERUG |
|