
Het onderdeel werd begin 1940 (maart/april ?) in Katwijk geformeerd. Het
bestond geheel uit reserve personeel, afkomstig uit verschillende depots
in Brabant. Men kende elkaar niet of nauwelijks.
Ook de officieren behoorden tot het reserve-kader. De onderofficieren
waren van wat oudere lichtingen. De manschappen waren rekruten, die
slechts enkele weken in dienst waren, nog volkomen onopgeleid. Ze konden
niet paardrijden en hadden nog nooit met een karabijn geschoten.
De sterkte was ongeveer 190 man, waarvan er uiteindelijk 160 in Engeland
zouden aankomen.
De officieren waren: kapitein Galle - commandant, de lste luitenants
André de la Porte, Dees, v.d. Honerb en kornetten Ritter en van Poeleur.
In Katwijk aangekomen, werd het personeel ingedeeld in 3 batterijen. Men
kreeg te horen dat men zou worden uitgerust met de vuurmonden 8 Staal.
Niemand van hen had ooit van deze stukken gehoord, behalve één oude
wachtmeester die er eens één gezien had, vermoedelijk in het museum of
op een opslagplaats.
De onderofficieren en manschappen kregen elk een karabijn uitgereikt,
zonder munitie. Schietoefeningen konden dus niet worden gehouden.
Na enige tijd werd er een vuurmond 8 Staal afgeleverd in het kamp, zodat
men zich daarmee vertrouwd kon maken. Ook waren er enkele
instructieboekjes zodat er bij toerbeurt een beetje geoefend kon worden.
Enkele dagen later ging een groep onderofficieren, onder leiding van de
lste luitenant André de la Porte, en een aantal rekruten van
boerenafkomst, naar Houtrust om paarden uit te zoeken en mee te nemen
naar Katwijk.
Het had die nacht licht gevroren, het was bar koud en de wegen waren
hier en daar wat glad.
De paarden waren gevorderd en stonden al enige tijd op Houtrust. Ze
waren te zwaar gevoerd en hadden geen beweging gekregen. Daardoor waren
ze nogal onhandelbaar en wild.
De groep vertrok te voet, met de paarden aan de hand en slechts met een
stalhalster aan, met daaraan een ketting. Elke man had twee paarden aan
de hand. Het duurde geruime tijd tot de stoet enigermate fatsoenlijk
vooruit ging. De paarden waren niet op scherp gezet (bouten in de
hoefijzers) en dus kwamen er nogal wat glijpartijen voor.
Alles ging redelijk goed tot het viaduct in Wassenaar werd bereikt.
Midden onder het viaduct zijnde, kwam er een trein met grote snelheid
over.
De chaos die toen ontstond was vreselijk. De paarden sloegen op hol,
vielen door de gladheid op straat. Verschillende paarden raakten los
omdat de mannen ze niet in bedwang konden houden op de gladde weg. Pas
na enige uren kreeg men de boel weer bij elkaar en ging het te voet
verder naar Katwijk, zonder verdere incidenten.
De volgende dag werden er rijlessen aan de bereden manschappen gegeven
en werden de bij elkaar passende paarden ingedeeld.
De stukken waren inmiddels ook aangekomen. De paarden konden dus worden
opgetuigd en ingespannen. Dat gebeurde op een zandplaats om te voorkomen
dat de paarden zouden schrikken van het geratel van de wielen. Alles
ging gelukkig redelijk goed. Er werd al over de straat gereden zonder
problemen.
Half april werd alles in Leiden op de trein geladen en, met de nodige
problemen, in Uden afgeladen. Over de weg ging toen de tocht naar Bakel.
Daar werden ze bij boeren ingekwartierd.
Elke dag werden er oefeningen gehouden, vooral met de paarden en de
stukken. Ook de bediening van de stukken werd veel geoefend. Heel
langzaam begon het ergens op te lijken. Het geheel kreeg een beter
aanzicht en de stemming was uitstekend. Je kon toen echt spreken van een
hechte eenheid.
Op 7 mei 1940 werd vertrokken uit Bakel naar de stellingen in de
omgeving van Oploo. Die stellingen bevonden zich in een bosrand met
daarvoor een weilandje. Aan de overkant daarvan een bosje kreupelhout op
zo'n 100 meter afstand. Voor de stellingen en voorbij het
kreupelhoutbosje, waren infanteriestellingen.
De artilleristen werden ingekwartierd op een boerderij, waar ook de
paarden stonden. Die boerderij was ver voor de stellingen, omdat er
achter niets geschikts was te vinden.
Er ontbrak van alles aan de uitrusting. Zo waren er 3 mitraillisten,
doch geen mitrailleur. De richtmiddelen waren gebrekkig, geen reserve-ijzers
voor de paarden, geen hoefsmidgereedschap, geen hoefnagels (later kon
men bij een smid een paar dozen krijgen) enz. enz.
Op het laatste moment werd er de man vijf patronen, één clip, uitgereikt.
Mooie patronen met mooi afgeronde kogels, die geen doordringend vermogen
bleken te hebben. Bij een proefje op de denneboom, op 40 meter afstand,
drong de kogel niet door de schors heen en kon je de punt er zo weer
uitpakken...
Verder bleek dat de slaghoedjes, welke in het pistool van de vuurmond
moesten passen, absoluut niet pasten. Er kwam een meestergeweermaker om
dit euvel op te lossen.
De munitie kwam aan en de schrik sloeg de artilleristen om het hart bij
het aanschouwen ervan. Het lag los op de wagens, was verroest en onder
het zand. Vele uren was men bezig om de projectielen schoon te maken, in
de vuurmonden te passen en vervolgens droog op te bergen. Deze klussen
werden geklaard op 8 en 9 mei. Verder was het rustig.
Op 10 mei, om 02.00 u. 's morgens kwam het bericht binnen dat de
Duitsers bij Gennep de grens hadden overschreden. Vele vliegtuigen
werden waargenomen.
Er werd begonnen met inschieten. Eén van de stukken viel al gelijk door
de houten, vermolmde wielen en was verder onbruikbaar.
Aangezien de zijdelingse richtingverandering van de stukken moest
geschieden door het met de richtspaak verplaatsen van de staart, gingen
de stukken niet vast staan. Na elk schot, dat gepaard ging met een
enorme bokkesprong, moesten de stukken weer naar voren worden geduwd, op
hun plaats. Om dit te voorkomen werden enkele stukken daarom met touwen
aan bomen vastgebonden.
Tegen 18.00 uur kwam de opdracht om de toren van Oploo onder vuur te
nemen. De opdracht werd uitgevoerd en, naar het schijnt, met goed
resultaat.
Om 21.00 uur kreeg men opdracht om af te marcheren. Al in de middag was
de infanterie in de stellingen ervoor, vertrokken. Dekking viel dus niet
meer te verwachten.
Bij het vertrek was het aardedonker geworden. Men had veel haast en de
paarden waren zeer nerveus. Eén van de paarden liep met zijn buik in de
richtspaak van het in elkaar geklapte stuk. Die richtspaak stond naar
voren gericht, de ruimte om te draaien was erg klein. Het paard moest
worden afgemaakt.
Daar er twee stukken minder te vervoeren waren, hadden we gelukkig nog
wel voldoende paarden. Afgezien van de stukken, door een bokkespan
getrokken, was er een fouragewagentje met één paard ervoor. Een heel gek,
heel hoog wagentje, met een soort huif erop en heel grote hoge wielen.
De koetsier zal heel erg hoog boven het paard.
De hele nacht werd er gereden. In de middag, tegen 14.00 uur, werd
Gemert bereikt. De paarden konden toen niet meer verder. Ze hadden
ijzers verloren en waren totaal uitgeput. Daarop werd besloten om de
stukken onklaar te maken en ze in de Zuid-Willemsvaart te laten
onderduiken. De paarden werden bij bewoners, via de gangdeuren, naar de
achtertuintjes gebracht en daar achtergelaten.
De tocht ging verder, te voet en met de munitiewagens, via St. Oedenrode,
Best (waar de artilleristen door vliegtuigen werden beschoten), richting
Tilburg, Gilze-Rijen, Bavel naar Breda in het Mastbosch.
Bij aankomst in het Mastbosch, laat in de avond van de 11e mei, werden
de munitiewagens afgeladen. De militairen kregen onderdak bij burgers in
de omgeving.
De volgende dag verzamelde kapitein Galle alle mensen en wees hen op een
artikel in de Grondwet, waarin staat dat een Nederlands militair niet
gedwongen kan worden de grens te overschrijden. Hij vertelde van plan te
zijn via België naar Zeeuws Vlaanderen te gaan. Hierbij zou dus de grens
moeten worden gepasseerd.
Zij die zich op de Grondwet wilden beroepen en dus niet mee wilden,
zouden kunnen vertrekken. Even was er overleg van een enkele
dienstplichtige met zijn onderofficieren. Het resultaat was dat iedereen
besloot mee te gaan. Niemand ging naar huis.
Op zondag 12 mei werd Breda massaal geëvacueerd op grond van geruchten
dat de Duitsers de stad zouden bombarderen. De wegen naar het zuiden
waren geheel geblokkeerd door de mensenstroom.
In verband met vliegtuigbeschietingen en de geblokkeerde wegen, werd
besloten te voet naar Hoogstraten in België te gaan.
Om acht uur in de morgen werd in groepen vanuit het Mastbos vertrokken.
Moe en kapot kwamen de mannen om vier uur in de middag in Hoogstraten
aan.
Daar werd overlegd of er mogelijk een groep mensen terug kon gaan om de
voertuigen van de munitiekolonne in Breda op te halen en in het donker
naar Hoogstraten te rijden. Het plan kon worden uitgevoerd. Met een
geleende auto gingen de mannen op weg naar Breda, om laat in de nacht
met de vrachtwagens in Hoogstraten aan te komen.
Diezelfde nacht, de 13de mei, werd vertrokken in de richting Antwerpen.
Op één van de weinige plaatsen waar nog een brug was, kon het
Albertkanaal worden overgestoken. Onderweg kreeg de militaire kolonne
benzine van de Belgen.
Door de tunnel werd de Schelde overgestoken. Even verder kon worden
overnacht in een manege op een kazerne. Daar arriveerden later ook
troepen van het Franse Vreemdelingenlegioen. Die soldaten, die bij de
Nederlanders in de manege sliepen, bleken zeer behendig met hun
kromzwaarden: hiermee vingen ze de ratten !
Die morgen ging de tocht via Hulst naar Terneuzen. Bij aankomst, om drie
uur in de middag, werden de mannen daar ingekwartierd. Op dat tijdstip
was het plan en de opdracht om via Breskens naar Vlissingen te gaan.
Kapitein Galle meldde zich bij een legercommandant. Toen hij hiervan
terugkeerde, hoorde zijn mannen hem zeggen tegen één van zijn officieren:
"Wapens inleveren, dat doen wij dus niet. We vertrekken van hier."
Dinsdag 14 mei werd een wat chaotische dag met veel tegenstrijdige
berichten. De groep reed van Terneuzen naar Biervliet. Daar kregen ze
het vreemde bericht dat er Duitse para's in een boerderij zouden zitten.
Ze gingen er heen en troffen alleen een angstige boer en zijn vrouw die
hen hadden zien aan komen sluipen... Hierdoor ontstond nogal wat
oponthoud.
Na geslapen te hebben in Biervliet, ging het verder naar IJzendijke.
Daar kwam het bericht van de capitulatie van Nederland door. Alleen
Zeeland zou nog doorvechten.
Op 15 mei ging het van Sluis, Aerdenburg naar Heille. Daar werden de
mannen ingekwartierd op verschillende boerderijen en schuren. Die dag
werd de groep verrast door een bezoek van Prins Bernhard.
De twee volgende dagen werd rust gehouden. Wassen en scheren en kleding
wassen. Het scheren moest vaak met het mes van de boer: iedereen was
alles kwijt...
Tegen de avond kregen de mannen bezoek van Franse artillerie-troepen,
die ook op de boerderijen kwamen overnachten. Nog nooit zagen ze zo'n
stelletje landlopers.
Hun kapitein reed in een open sjeesje met een paard ervoor. Onder het
wagentje hing een kooi met een aap. Ze hadden ook een wagen met een
enorm vat wijn erop. De vuurmonden waren enorm groot: loop en onderstel
werden op twee voertuigen vervoerd. In de ogen van de Nederlandse
militairen leken het wel dikke Bertha's.
Bij het bezichtigen van de enorme loop werd ontdekt dat zich daarin een
nest jonge katten bevond...
De Franse artilleristen moesten ook naar Breskens, zoals ze zeiden, om
van daaruit Vlissingen te beschieten.
In de morgen van 18 mei vertrokken de Fransen in de richting Breskens.
De Nederlandse artilleristen vertrokken 's avonds om elf uur, richting
Belgische kust.
De volgende dag werd de stoet door een Belgische militair op een
motorfiets door Brugge geloodst. De vluchtelingenstroom vloeide daar
samen en de wegen zaten daarom helemaal verstopt. Er moest af en toe met
de wagens over de trottoirs worden gereden, waarbij enkele glazen
luifels het moesten ontgelden.
Eenmaal door Brugge, werd de kust weg naar Koksijde gevolgd. Daar kregen
de mannen van een bakker gebakjes en taarten om de honger te stillen.
Daarna ging de tocht naar De Panne.
In een café daar, kregen ze wat te eten. De familie, bestaande uit vader,
moeder en twee schone dochters, alsmede de hele drankvoorraad, werden op
de wagens geladen. Ze kregen een lift naar Lisieux. In het plaatsje
Jumelles werd de nacht doorgebracht.
De volgende morgen, 20 mei, om vier uur, vertrok de stoet naar
Abbeville. Vliegtuigen beschoten daar de voertuigen. Later, ten zuiden
van Abbeville, werd ook nog geweervuur ontvangen. Later bleek dat de
Nederlanders net op tijd door Abbeville heen waren. De Duitsers gingen
namelijk met een omtrekkende beweging door Abbeville naar Duinkerken om
de Britse troepen daar af te snijden.
Via Rouen werd die dag Evreux bereikt. Daar werd de nacht doorgebracht
in een schuur vol met ratten. .De volgende dag bleek de slaapgelegenheid
beter: namelijk in een kazerne in Lisieux.
Op 22 mei ging het weer verder via Caen naar Cherbourg.. In het
havengebied daar, werden de artilleristen door Engelse troepen
opgesloten in een havengebouw. Ze vertrouwden de zaak niet omdat hun
uniformen nogal op die van de Duitsers leken. In ieder geval kregen de
mannen toen wel heel goed te eten.
Na lang praten konden ze worden overtuigd van het feit dat ze met
Hollanders te doen hadden. De wapens werden weer teruggegeven.
Naar Engeland: op 23 mei ging de troep aan boord van de veerboot Lady of
Mann. Op de overvolle boot, zonder escorte en op een gladde zee, ging de
tocht naar Southhampton.
Om vier uur in de middag gingen de Nederlanders daar aan wal. Ze werden
gelijk naar het station gebracht. De trein vertrok met onbekende
bestemming.
Die bestemming bleek Haverfordwest te zijn. Bij aankomst kregen de
mannen elk een reep chocolade voor de honger. Het bleek niet echt
voldoende. De groep werd naar de Towmhall gebracht, waar ze niet alleen
werden getrakteerd op een toespraak van de burgemeester, maar ook op wat
eten.
Daarna ging het naar het inkwartieradres: een leegstaand
textielwarenhuis, waarvan de vloeren met een laag stro waren bedekt.
Iedereen zocht een plaatsje. Alle onderofficieren sliepen in de
spiegelkamer: alle vier de wanden waren behangen met spiegels...
Na ongeveer 24 uur geslapen te hebben, werden de eersten wakker. Ze
gingen meteen op zoek naar scheergerei, zeep en handdoeken. Dit moest in
de plaatselijke winkels worden gekocht. Daarvoor werd een bon getekend
waarop stond dat de Nederlandse regering in Londen het wel zou betalen.
Inmiddels dus voorzien van was- en scheermiddelen gingen de mannen op
zoek naar een wasgelegenheid. Na veel omzwervingen en vragen, ontdekten
ze ten slotte buiten het stadje, in een weiland, een plaatijzeren
gebouwtje. Dit bleek een doucheruimte te zijn. Er was zelfs een grote
waterketel die gestookt moest worden met hout of kolen. Na ijverig
zoeken en knutselen kreeg men het ding aan de gang. Er kwam echt heet
water uit...
Het bleek een genot om weer eens onder een echte douche te staan, je met
zeep te kunnen wassen, met heet water te scheren en een echte handdoek
om je te drogen...
Na een aantal weken te hebben doorgebracht in het warenhuis in
Haverfordwest, werd de groep overgebracht naar een tentenkamp bij
Porthcawl. Daar waren vele Nederlandse militairen van verschillende
onderdelen bij elkaar gebracht. De stemming was daar niet zo best en
stak schril af bij de stemming van de artilleristen, die inmiddels een
hechte groep waren geworden.
Na enige tijd werd II-20 RA in zijn geheel overgeplaatst naar het
vliegveld St. Athens om dienst te doen als bewaking. Weer enkele maanden
later vertrok de groep naar Congleton. Daar viel II-20 RA uit elkaar
door herindeling.
Kapitein, later majoor, Galle verliet Congleton en kreeg een functie in
Londen. Galle, reserve-officier, was eigenlijk leraar aan een H.B.S. in
Zwolle. Men ervaarde hem als eerlijk, open en vooral rechtvaardig. Hij
stond voor iedereen klaar, met raad en daad. Hij wist altijd precies wat
hij wilde in de chaotische toestanden en zijn mannen vertrouwden geheel
op hem. Nog altijd nemen de oud-gedienden van II-20 RA hun pet af voor
de manier waarop hij hun uiteindelijk in Engeland heeft gebracht, niet
tegenstaande vele moeilijkheden en onzekerheden in die dagen.
Dit verhaal moet dan ook worden gezien als een eerbetoon aan majoor
Galle.
Samenstellers:
N.R. Burgers, Vlijmen
J. de Bruyn, Roosendaal
© Stichting Brigade en Garde Prinses Irene, Oirschot. Alle rechten voorbehouden. Overname alleen na uitdrukkelijke schriftelijke toestemming. Contact via: postbus@fuseliers.nl